+ Bronnen (etc.)

Utrecht. Papegaaienmuseum. Polly studies. DE GROENE SITTICH. Bronnen (etc.)

 

Bronnenlijst
Personenregister
Afbeeldingen
Appendix I: Romeinen 7
Appendix II: Schilderboeck

 


Bronnenlijst

 


Personenregister

 

  • Coornhert, Dirck Volkertszoon. (1522 – 1590). Nederlandse kunstenaar, geleerde, theoloog, musicus en publicist. Secretaris van de burgermeesters van Haarlem. (1561 – 1566).
  • Franciscus de Retza (Ca. 1343 – Ca. 1427). Dominicaner monnik, professor in de theologie in Wenen.
  • Frans I. (1494 – 1547). Frans I werd in 1515 tot koning van Frankrijk gekroond en regeerde tot zijn dood. Zijn vrouw, Eleonora van Habsburg, de oudste dochter van Filips de Schone en Johanna de Waanzinnige werd opgevoed door haar tante, Margaretha van Oostenrijk, aan het hof in Mechelen.
  • Goltzius, Hendrick. (1558 – 1617). Noord – Nederlands kunstschilder, tekenaar, prentkunstenaar en uitgever. Voor korte tijd leerling van Dirck Volkertszoon Coornhert.
  • Gossaert, Jan. (Ca. 1478 – 1532), ook bekend als Jan Mabuse en ook als Jennyn van Hennegouwe. Vlaams kunstschilder.
  • Hemskerck, Marten. (1498 – 1574). Maarten van Heemskerck, geboren als Maerten van Veen. Hollands kunstschilder en kerkmeester van de Sint Bavokerk in Haarlem. (1553 – 1574). [Appendix II].
  • Knipperdollinck, Bernd. (Ca. 1495 – 1536). Koopman en belangrijke aanhanger van Jan van Leyden. Hij was vanaf 1534 burgemeester van de stad Münster.
  • Krechting, Bernd. ( ? – 1536). Belangrijke aanhanger van Jan van Leyden. Hij was de broer van de secretaris van Jan van Leyden, Heinrich Krechting (1501 – 1580), die wist te ontsnappen.
  • Lemaire, Jean. (1473 – 1524). Zuid – Nederlands dichter en kroniekschrijver. Als hofdichter van Margaretha van Oostenrijk schreef hij een lang gedicht over Margaretha: De groene minnaar. De papegaai, een favoriet huisdier van Margaretha vertelt over zijn relatie met de landvoogdes. (Frappier, 1947)
  • Leyden, Jan van. (1509 – 1536). Een rondreizende Nederlandse prediker van de Wederdopers. Een van de leiders van de Wederdopers in Münster en raadsman van Jan Matthijs.
  • Mander, Carel van. (1548 – 1606). Zuid-Nederlandse schilder, schrijver en dichter. In 1604 werd zijn ‘Schilderboeck’ uitgegeven. Het bevat naast biografieën van kunstenaars informatie over mythologie. [Appendix II].
  • Margaretha van Navarra. (1492 – 1549). Margaretha van Valois, of van Angoulême. Zij wordt ook Margaretha van Navarra genoemd. Zij is de zus van Frans I.
  • Margaretha van Oostenrijk. (1480 – 1530). Hertogin van Savoye, landvoogdes van de Nederlanden en de dochter van Maximiliaan I van Oostenrijk en Maria van Bourgondië.
  • Marot, Clément. (1496 – 1544). Marot was een Franse hofdichter.
  • Matthijs, Ian. (1500 – 1534). Leider en profeet van de Wederdopers in Haarlem en Münster.
  • Messys, Ian. (1509 – 1573). Vlaams kunstschilder en zoon van Quentin Messys. [Appendix II].
  • Messys, Quentin. (Ca. 1466 – 1529). Zuid – Nederlands kunstschilder. [Appendix II].
  • Mostart, Jan. (Ca. 1474 – 1553). Hollands kunstschilder. [Appendix II].
  • Tucher, Antoon. (1458 – 1524). Koopman. Burgemeester van de stad Neurenberg. Van Antoon Tucher weten we dat hij een volière hield met ‘Sittiche.’ Anton Tuchers Haushaltsbuch (1507 – 1517).
  • Tucher, Lienhard. (1487 – 1568). Zoon van Antoon. Handelspost te Antwerpen.

Afbeeldingen

 

Figuur 1. ‘Sint Lucas schildert de Madonna,’ van Marten Hemskerck, 1532 (collectie Frans Hals museum, Haarlem).
Figuur 1. ‘Sint Lucas schildert de Madonna,’ van Marten Hemskerck, 1532 (collectie Frans Hals museum, Haarlem).
Figuur 2. Franciscus de Retza (Ca. 1343 - 1427): Defensorium inviolatae virginitatis Mariae, [Regensburg], 1471. P.29
Figuur 2. Franciscus de Retza (Ca. 1343 – 1427): Defensorium inviolatae virginitatis Mariae, [Regensburg], 1471. P.29 / Bijschrift [2]: Psidicus [psittacus] a natura ave si dicere valet. Quare j» aure virgo pura non generaret. Expientia. Geraadpleegd op (…), van http://archive.thulb.uni-jena.de/ufb/receive/ufb_cbu_00003755
Figuur 3. ‘Illustratie van een Grote Alexanderparkiet (Psittacula eupatria)’. (Z.j.).
Figuur 3. Illustratie van een Grote Alexanderparkiet (Psittacula eupatria). (Z.j.).
Figuur 4. 'Toren van de Sint Lambertuskerk in Münster met de drie kooien van de Wederdopers,’ 1536 (collectie Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte, Münster).
Figuur 4. Toren van de Sint Lambertuskerk in Münster met de drie kooien van de Wederdopers, 1536 (collectie Landesmuseum für Kunst und Kulturgeschichte, Münster).
Figuur 5. ’Sint Lucas schildert de Madonna’ van Marten Hemskerck, 1545 (collectie Musée des beaux - arts, Rennes).
Figuur 5. Sint Lucas schildert de Madonna, van Marten Hemskerck, 1545 (collectie Musée des beaux – arts, Rennes).
Figuur 6. ‘Vreemd gezelschap’ van Jan Messijs, 1566 (collectie Nationaal Museum, Stockholm).
Figuur 6. Vreemd gezelschap, van Jan Messijs, 1566 (collectie Nationaal Museum, Stockholm).
Figuur 7. ‘Portret van Frans I, als Johannes de Doper’ van Jean Clouet, 1518 (collectie Louvre museum, Parijs).
Figuur 7. Portret van Frans I, als Johannes de Doper, van Jean Clouet, 1518 (collectie Louvre museum, Parijs).
Figuur 8. ‘Portret van Margaretha van Navarra’ van Jean Clouet, c 1530 (collectie Walker Art Gallery, Liverpool).
Figuur 8. Portret van Margaretha van Navarra, van Jean Clouet, ca. 1530 (collectie Walker Art Gallery, Liverpool).
Figuur 9. ‘Adam en Eva (De zondeval)’ van Albrecht Dürer, 1504 (collectie Victoria en Albert Museum, Londen).
Figuur 9. Adam en Eva (De zondeval), van Albrecht Dürer, 1504 (collectie Victoria en Albert Museum, Londen).
Figuur 10. ‘Sint Lucas de Maagd schilderend’ van Nicolas de Hoey, 1603 (collectie Musée des beaux arts, Dijon).
Figuur 10. Sint Lucas de Maagd schilderend, van Nicolas de Hoey, 1603 (collectie Musée des beaux arts, Dijon).
Figuur 11. ‘Onze Lieve-Vrouw met de papegaai’ van Peter Paul Rubens, 1633 (collectie Koninklijk museum voor schone kunsten, Antwerpen).
Figuur 11. Onze Lieve Vrouw met de papegaai, van Peter Paul Rubens, 1633 (collectie Koninklijk museum voor schone kunsten, Antwerpen).
Figuur 12. ‘Drie dwaallichten’ van Lothar Baumgarten, 1987 (installatie met drie gloeilampen in de kooien van de Sint Lambertustoren, Münster). Geraadpleegd op (…), van https://www.skulptur-projekte.de/skulptur-projekte-download/muenster/87/baumga/index.htm
Figuur 12. Drie dwaallichten, van Lothar Baumgarten, 1987 (installatie met drie gloeilampen in de kooien van de Sint Lambertustoren, Münster). / Geraadpleegd op (…), van https://www.skulptur-projekte.de/skulptur-projekte-download/muenster/87/baumga/index.htm

 Appendix I: Romeinen 7

 

7:1-12 De betekenis der wet

Of weet gij niet, broeders, – ik spreek immers tot wie de wet kennen – dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft? Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond. Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft. Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem, die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen. Want toen wij in het vlees waren, werkten de zondige hartstochten, die door de wet geprikkeld worden, in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen; maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter.

Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren. Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood. Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood. Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

7: 13-26 Strijd de wet en zonde

Is dan het goede mijn dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde heeft, opdat zij zou blijken zonde te zijn, door het goede mijn dood bewerkt, opdat de zonde bij uitstek zondig zou worden door het gebod. Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dát doe ik. Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ík het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!

Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde.

Brief van de Apostel Paulus aan de christelijke gemeenschap in Rome: boek in het Nieuwe Testament van de christelijke Bijbel. Romeinen 7, NBG-vertaling 1951 (NBG51)


Appendix II: Schilderboeck

 

Het leven van Quintijn Messijs, Schilder van Antwerpen.
Hy hadde oock eenen Soon, zijn leerjongher, gheheeten Ian Messijs, dat oock een goet Schilder is gheweest: van wiens handt te sien is t’Amsterdam in de Waermoesstraet in’t Lavoir, een stucxken van Wisselaers, die doende zijn met gelt tellen, en wisselen: oock zijn t’Antwerpen, en in ander plaetsen, noch van hem verscheyden stucken.
Mander, Carel van. (1604). Het schilder-boeck., fol. 215v.

T’leven van Ian Mostart, Schilder van Haerlem.
Nu Ian Mostart, die niet alleen constigh Schilder, maer edel van zeden, vriendlijcken omgang, schoonlijvigh, welsprekende, mildt en beleeft was, is ghecomen in groot achten, in weerden, wel ghesien en bemint, by den meesten Adel des Landts, soo wel by groot als cleen: Soo dat hy is gheworden Schilder van Vrouw Margriete, de Suster van Hertogh Philips, d’eerste van dien naem, Coningh van Spaengien, en Vader van den Keyser Carolus de vijfde. In desen dienst, daer hy wel ghesien was, volherdende, en woonende over al, daer deses Vrouwen Hof was, bleef hy den tijt van 18. Iaren, makende verscheyden wercken, en veler grooter Heeren en Vrouwen conterfeytselen, in welck hy een goet Meester was, t’ghelijcken seer natuerlijck treffende, dat het scheen datse daer levendigh tegenwoordigh waren. Eyndlinghe woonde hy weder te Haerlem …
Hy is gheweest een Man van goet oordeel en verstandt, en een seer goet Schilder, soo dat Marten Hemskerck ghetuyghde, dat Mostart van goet werck te maken, te boven gingh alle oude Meesters, die hy gekent hadde.
Hy is overleden in’t Iaer 1555. oft 56. in goeden en vollen ouderdom.
Ibidem, fol. 229v.

Het leven van Marten Hemskerck, constigh vermaert Schilder.
Onder ander veel wercken die hy maeckte, was van hem seer constich geschildert t’Altaer van S. Lucas, waer mede hy den Schilders te Haerlem, topt zijn foy oft adieu t’zijner Room-vaert, vereerde: dit was eenen S. Lucas, welcken sit en schildert na t’leven Mariam met haer kindt op den schoot, dat welck een uytnemende werck is, op een heerlijcke schoon manier gedaen, wonderlijck hem verheffende en wel afstekende: doch op Schoorels manier, wat te seer cantich af gesneden op den dagh. De Mary-beelt met een gracelijcke schoon tronie, heeft een schoon actie, met een seer vriendlijck kindeken: op haren schoot hangt op zijn Indiaensch een laken van verscheyden verwen met t’Iotselen, en ander aerdige vercieringen bewrocht, dat seer bevallijck en niet te verbeteren is. Den S. Lucas, wiens tronie was nae t’leven eens Backers, is een seer schoon beeldt, wel werckende, en vlijt toonende zijn patroon wel te volgen: de Palette aen zijn slincke handt, schijnt van de handt ten Penneel uyt te steken: alle dingh is genoech gemaect van onder op te sien. Achter den S. Lucas staet als een Poeet, aen t’hooft becroont met clijf oft erdvelt, niet qualijc schijnende of het Marten nae t’leven te dier tijt was: maer of hy hier mede wilde te kennen geven, dat t’schilderen en dichten gemeensaem is, en dat de Schilders behoeven eenen Poeetschen inventijven geest, of dat hy wilde beduyden, dat dese Historie self een versieringhe zy, en weet ick niet: daer is oock eenen Enghel, die een brandende Fackel houdt, seer wel gedaen. Ick weet niet datmen van Martens dinghen siet, daer vriendlijcker tronien in zijn, als in dit werck: de Metselrije zijn veel vlacke mueren: boven hingh eenen Papegaey met zijnen korf. Onder aen de Metselrije had hy gemaeckt een versiert briefken, als met eenen naghel vast ghemaeckt, waer in staet dit schrift:
Tot een Memory is dese Tafel ghegheven
Van Marten Hemskerck, die’t heeft ghewracht,
Ter eeren S. Lucas heeft hy’t bedreven,
Dus ghemeen ghesellen heeft hy mede bedacht.
Wy moghen hem dancken, by daghe, by nacht,
Van zijn milde gifte, die hier staet present:
Dus willen wy bidden, met al onse macht,
Dat Gods gratie hem wil zijn ontrent,
Anno Duyst Vc. XXXII. ist volent.

Den 23. Mey.

Dese Tafel is (gelijckse wel weerdich is) van den Heeren de Overicheyt van Haerlem noch tegenwoordich bewaert in’t Princen Hof, in de Suydt-camer, daerse van velen ghesien, en seer ghepresen wort. Dit stuck dede hy t’zijnen 34. Iaren, als aen den datum by zijn gheboort-Iaer te sien is. En is doe getrocken nae Room, waer naer hy lange grooten lust hadde gehadt, om d’Antijcken, en die groote Meesters van Italien dingen te sien.
Ibidem, fol. 245r, 245v.


 

Stempel