Blaauw (2015)

In de boekenkast van Blaauw is het onrustig. Blaauw denkt dat papegaaien er de oorzaak van zijn. Als de beroering toeneemt schieten zijn buren te hulp.

Verantwoording; hoofdstuk 1; hoofdstuk 2. Zie verder: Publicaties.


Verantwoording van de tekstbezorging

 

Voor de hier aangeboden tekst geldt uitdrukkelijk werk in uitvoering. Het horen van de verschillende personen die een rol spelen is nog in volle gang. Een termijn van afronding is op dit ogenblik nog niet te geven.

De hier aangeboden tekst is een gereconstrueerde tekst. Mijn buurman voegde zelf enkele kanttekeningen toe aan zijn teksten. Ze zijn doorgaans aangegeven met het symbool: (*), (**), enzovoort.

Mijn goede vriend dhr. Cornelis Gesant krijgt voor diens bijstand bij het opnieuw samenstellen van de verloren gegane cataloog voor nu mijn hartelijkste dank.

Mijn editorische toevoegsels worden onderaan de pagina gemarkeerd met een doorgetrokken streep.

Tekstbezorging en verklarende aantekeningen van: PAJ Groen


Hoofdstuk 1. Voorlopig heet ik Blaauw

 

(*) Is de lezer ooit een boek kwijt geweest, terwijl de lezer zeker weet dat het er is? Onvindbaar. Nergens, omdat de lezer dacht dat het een rode rug had en dat het zeker niet blauw was. En de lezer heeft alle ruggen gezien, alle rode gele groene alle witte en nog steeds zeker niet blauw. En nu slaat de vermoeidheid toe. Met de nek steeds stijver, om en om met het hoofd naar links en rechts te moeten buigen. Weg. Schrijfkunst is weg. En bij Blaauw? In mijn geval? Dubbele rijen. Liggende stapeltjes zijdelings ertussen. Idem dito ondersteboven en achterstevoren. Goed. Een beetje orde. Op kleur. Op een blauwe maandag een beginnetje mee gemaakt. De groene boekwerken: ten dele doorgevoerd. Joost mag weten waarom, waarom gedacht was dat dat leuk is. Knullig. Ik kon geen boekje meer terugvinden. Raakten kwijt.

Mijn boekenverzameling bewaarde ik in een magazijnstelling die daar niet voor ontworpen was. Vier elementen van een meter breed en twee meter hoog. Ieder deel met acht planken inclusief bodem en dakplank, met schappen van een halve meter diep. De boeken stonden naast elkaar en onhandig voor en achter elkaar. Verder stond er niets in de boekenkast, behalve een paar kleine fantasieartikelen: een houten polychroom gedecoreerde eend, een verlijmd-marmergruizen portretbuste van Dante op een zwart marmeren sokkeltje met een typisch negentiende-eeuwse gelaatsexpressie, een gipsen Beethoven, een ingelijst fotootje van mij en Graat aan het strand, een ingelijst diplomaatje en een aardewerk bakje met daarin een stuk of wat cactusjes. Rechts onderin het dichtst bij de keuken waren twee schappen gereserveerd voor oude kranten en de magazines van Graat.

Mijn boekenkast was heilige Mozes irritant niet op orde omdat ik drie keer kort op elkaar verhuisde. De boeken linea recta uit de dozen in de stelling geplaatst. Rijp en groen. Drie keer kort op elkaar verkast.

En bij de laatste verplaatsing raakte tot overmaat van ramp tijdelijk een mooie oude encyclopedie kwijt.[1] Verpakt in vijf dozen. Bleef achter op het trottoir. Vijf bananendozen. En hoe dat kwam?

Het waarom van al die verhuizingen doet er niet toe. Ik zeg er niets over omdat het wat gebeurde bijkomstig bepaald heeft, denk ik. Rusteloos: het zal allemaal wel.

Nee, de boeken de verhalen hebben het gedaan. Niet mijn boeken. Het meest van alles andermans boeken. In idiote fantasie verankerde verhalen waarin over papegaaien wordt verteld. Papegaaien die bij de mensen wonen. Die zich mengen in andermans aangelegenheden.

Geen wonder dat het in de kast een eigen leven is gaan leiden. Na drie verhuizingen door de ordeloosheid maf geworden. De boekwerken kenden elkaar niet meer en misschien stak het dat er snuisterijen op de planken stonden. En twee schappen met oude kranten. Vroeger was dat nooit geweest, want de kranten hadden voor zichzelf in de keuken een kartonnen doos. Ik (Blaauw) heb ik gedacht ben niet gek, de boeken zijn gek.

Achterafjes: geen verklaringen die houtsnijden, dat zie ik. Maar wat dan? Wat is er gebeurd? Waarom ging het los?

Ik weet van een verhaal, mijn vriendin vertelde het me, wilde me een lesje leren, over een bibliotheek die tot leven komt. Het papier bot uit en de lederen banden van de boeken worden weer paard en rund. In een wilde vlucht vermorzelen de dieren de bibliothecaris. Ontstellend!

Mijn kast kwam eveneens tot leven (Blaauw). Tenminste de verhalen waarin papegaaien verschijnen. Een paar bladzijdes hier, een verhaal daar, gedicht, soms een enkele passage, een enkele regel, een enkel teken. Literair. Dat zeker, want de academische papegaaien waren bij de laatste verhuizing op het trottoir blijven staan: de orde van de papegaaiachtige, uit mijn mooie oude encyclopedie.

Het zal geen verschil gemaakt hebben. En wie zal zeggen dat de beroerdigheid met een geordende boekenkast niet veel groter was geweest. Verleidelijk om te denken dat het wel iets uitmaakt. Tegenwicht. Evenwicht. Wetenschap in balans met bellettrie. Getemde letterkundigheid. Een kast op orde. Dualiteiten? Niet halve bak enkel op kleur van ruggen georganiseerd. Dat is op hol geslagen fantasie.

Op zaterdagavond is het begonnen.[2] Inquam. En Papageno. Ik heb ze horen roepen naar elkaar. Auf Deutsch. Bonk, tegen het raam. Blaauw! Geschraap en gekras. Tussen slapen, suffen en waken.

Kort verhaal. Paranoia. Hermans. Uit de gelijknamige bundel. Rottig dat het met dit boek is aangevangen, dat dit als eerste aangebeten uit de stellingkast viel. Het boek was van Graat.[3]

In het boek komt een scène voor met twee papegaaien ze heten Ajo en Inquam. Ajo betekent Ik zeg ja en Inquam Ik zeg. Ajo kan Heil Hitler zeggen en Inquam zegt niets, kan zelfs niet krijsen, daarom noemt de eigenaar hem Tacitus.

Inquam heeft de gipsen Beethoven uit de kast gegooid. Met zijn snavel de cactussen uit het aardewerkbakje gewroet, het ingelijst strandfotootje van mij en Graat op de grond gegooid, het glas van de lijst met het diplomaatje stuk getikt en de marmergruizen Dante van zijn sokkeltje geduwd. Te beginnen met de bric-à-brac! Heilige Mozes!

Ik dacht dat het muizen waren, dat er muizen in mijn kamer waren. Misschien zat er een nest in een van de dikke boeken. Blaauw (ik) gaf het weinig aandacht. Later in de week bemerkte de meteropnemer dat de vuiligheid, in de kast, op de grond, van een vogel was.[4] Denkelijk een duif. Heeft er een raam opengestaan? Een deur?

Voor de zekerheid in de nacht het venster dichtgehouden. Geen vogels duiven naar binnen en voor de zekerheid muizengif gekocht: Sorkil-G.

Inquam was een schrandere vogel die wist dat er meer waren. Mogelijk hebben ze elkaar beluisterd. Gegeurd? Drift van de natuur: ze hebben van elkaar geweten dat ze er waren. Elkaar vinden in de boekenkast was nog wat anders.

Toenemend krijsen roepen babbelen knabbelen en bijten snijden graveren. Soort van ordenen door stempelen met schijt. Bezwadderen met rottend fruit. Boekenruggen vullen met vruchtenschillen en nootjes. Koekoeksgewijs boek uit de rij wringen: ploft op de grond en valt open neer. Papier eten doen ze niet. Ze versnipperen het. En ze betrappelen het, twee tenen naar voren en twee naar achteren. Viertenig zijn ze.

Vooruit. Verder.

Betrekkelijk kort bij zijn eigen boek vond Inquam nog een boek van Graat, een verhaal van Vestdijk.[5] Erg ver waren haar boeken niet uit elkaar geraakt. Piraten en puriteinen: de titel van het boek. Zeerovers! En nogal wat papegaaien. Boertige papegaaien! Te heet voor de hel moet ik mijn ponjaard in uw boezem steken, dat roepen ze. Een troep. Een bende binnen de bende, met een eigen plan. Eerst gezellig bij elkaar wat babbelen. Op afstand Inquam in de gaten houden, om vervolgens geëlektriseerd buiten de kast er zelf op uit te trekken. Richting de gordijnen. Palmmotief. Behang monochroom met druivenmotief. Toevalligheid!

(**) Woning gehuurd met overname van de stoffering, betaald aan de bewoner voor mij: vijfenzeventiggulden. Ik kan de lezer alvast verklappen dat dat de zoon van de buurman was.

Blaauw die in een kamer erboven lag te slapen, klotenmuizen, werd wakker.[6] Te heet voor de hel, klonk het. Heil Hitler. Heil Hitler. Niet zachtjes! Hoogstwaarschijnlijk geleerd van Ajo. Blaauw voorgaf, ogen dichtgeknepen, dat het van de straat kwam. Opgeschoten jeugd: terug van een avondje stappen, de binnenstad uit, retour buitenwijken.

Draaide zich om, deken over de oren. Sukkelde in slaap. Angstdroom.

Blaauw! Blaauw zit in de kast! Opgelet! Blaauw is de dierenoppasser! Papegaaienman van het Artislaantje! Laat Blaauw jullie niet horen! Blaauw exorciseert, bezweert, bant uit, drijft uit. Ze zijn gezien. Het wordt geweten. Laatste waarschuwing! Kappen! Gedaan met die banaan! Blijf in je boek, vlieg niet uit de kast! De boeken zijn het gaas! Een april! Kikker in je bil! Papegaai! Die er nooit meer uit wil!

(***) Lezer, de buren hebben me geholpen. Blaauw! Buren doen dat. Ze zijn ervoor. Zou ik hetzelfde gedaan hebben? Ik denk het niet, eerder de kop in het zand gestoken.


  • [1] Vrijdag 17 februari 1989
  • [2] Zaterdag 25 februari 1989
  • [3] Dit is het geval (Mej. Graat, persoonlijke mededeling, 11 oktober 1990). Paranoia. Hermans, Willem Frederik. Amsterdam, 1953.
  • [4] Vrijdag 3 maart 1989
  • [5] Dit is het geval (Mej. Graat, persoonlijke mededeling, 11 oktober 1990). Piraten en puriteinen. Vestdijk, Simon. Amsterdam, 1947.
  • [6] Zaterdag 4 maart 1989

Hoofdstuk 2. Renovatie van de nieuwe woning

 

De dag erop, in de loop van de middag, sprak ik de buurman van links.[7] Op het messing naamschildje staat: PAJ Groen. Die wist, de meteropnemer zal ook daar geweest zijn, dat de herrie uit mijn huis kwam. Blaauw (ik) ontkende, hield vol dat het van de straat kwam. Niet mijn herrie. Kroegen, eethuisjes, discotheek, een bioscoop, twee bordelen. Een levenslustige buurt. Buurman keek bedenkelijk, schudde zijn hoofd, liep zijn huis binnen.

Drie dagen later stond mijn oom Frits aan de deur.[8] Oom had geholpen met de verhuizing, wilde nu met mij de woning opknappen.[9] Plafonds moesten gesausd. Behang overschilderd. Houtwerk gestopt en gelakt. En andere gordijnen opgehangen. Effen gordijnen. Niet nieuw, niet oud.
Oom Frits bracht ze mee. ‘Je blaast er in ieder geval niet door heen,’ zei hij.
De boekenkast kon beter blijven staan. Afdekken met de oude palmboomgordijnen en gewoon er omheen schilderen.
‘De kast van zijn plek halen en opzijzetten was geen doen,’ vond oom Frits. Hij zal zich de verhuizing herinnerd hebben. De boeken zouden bovendien op de grond in de weg liggen met bijkomstig heen en weer gesleep. Beter de kast de kast laten.

De oude gordijnen hingen een paar dagen over de stelling. De vogels hielden zich stil en oom Frits die elders logeerde had niets in de gaten. Ik (Blaauw) hoefde niets uit te leggen. Eind van de week was er toch een kloeke scheur in gepikt.
‘Te lang in het licht gehangen,’ zei oom Frits die de palmgordijndoek inspecteerde. Hij bundelde de lappen, rook er even aan en stopte ze met een vies gezicht in twee plasticvuilniszakken.
Spijt dat ik daar overnamegeld voor betaald had. Laat maar hangen, heb ik gezegd. Haal maar weg, kon ik niet uit mijn strot krijgen. Niet moeilijker maken dan het al is. Ik zeg geen nee, ben niet resoluut in zaken. Blaauw!
Op de valreep bij zijn vertrek laadde mijn oom vijf bananendozen uit zijn auto met daarin de mooie oude encyclopedie die bij mijn laatste verhuizing op het trottoir was achtergebleven. Daar had hij zich getipt door Joost mag weten wie over kunnen ontfermen. Oom Frits maakte een gehaaste indruk en keek bij het heengaan aanhoudend op zijn polshorloge.
‘Verdorie, de tijd vliegt. Ik leg het je nog wel een keer uit!’ En weg was hij.
Blaauw zette de dozen achterom in de schuur van het huis, ver uit de buurt van de boekenkast. Geen kans een bijdrage te leveren. Stel je voor! Evenzo om schade aan de encyclopedie te voorkomen. Heilige Mozes, koppijn!

In de late avond van die dag doken de vogels weer op.[10]

Naast Vestdijk op zijn plaats gebleven, was een ander boek van Graat van Theun de Vries op de grond geduwd en aangepikt. Het hoofd van Haydn.[11] De componist was lang geleden eigenaar van een grijze roodstaartpapegaai genaamd Papageno. Zum Befehl Herr Oberst, kon deze vogel zeggen. Een mooi span samen Papageno en Inquam. Papageno was goed. Die vond in geen tijd heel veel andere en als ze allemaal gaan helpen met zoeken en sommigen deden dat dan telt dat door. Een complete kolonie papierversnipperaars.

Naar PAJ Groen toe bleef Blaauw volhouden dat het aan de straat lag.
Vervelend. Die had gehoopt op een betere buur. Zei, ‘dat de vorige bewoner ook al zo’n eersteklas snotaap was geweest.’
De rechterbuurman, vroeg Blaauw zich af op weer zo’n doorwaakte nacht, gaat die zich er op dezelfde wijze mee bemoeien? Waarschijnlijk niet, peinsde Blaauw. Die zal alles best vinden, want eigenaar van een duivenkot, bijna zeker zonder omgevingsvergunning.

Arme Blaauw. Nachten achtereen wakker liggen, en luisteren of ik iets hoorde van het papegaaienbevrijdingsfront. Ik bleef boven in de slaapkamer, niet de moed om te gaan kijken. In de morgen opruimen, boeken controleren op schade, terugzetten die uit de kast waren geduwd. Houtsplinters opzuigen. En overal stinkende vogelpiespoep. Vogelpiespoep: ex libris. Ze schijten er hun eigen merkjes in. Alsof de papegaaien elkaar uit de pagina’s hapten. Raakten er bladzijdes uit de band dan bond ik een elastiek om het boek. Een enkel boek had zo de vuilnisbak in gekund, maar boeken wegkieperen deed ik niet. Nooit! Zo was mijn bibliofiele gestel: weggooien kan altijd nog.

Is dat van gisteren? Lag dat er al? Stofzuigerzakken meebrengen.

Kom weer bij me wonen, Graat!


  • [7] Zondag 5 maart 1989
  • [8] Woensdag 8 maart 1989
  • [9] Volgens dhr. Frits van Bijster Velt (persoonlijke mededeling, 8 december 1990) was het huis uitgewoond. Nochtans vond hij de woning geschikt voor zijn neef, omdat deze toentertijd rust en regelmaat behoefde.
  • [10] Zaterdag 18 maart 1989
  • [11] Dit is het geval (Mej. Graat, persoonlijke mededeling, 11 oktober 1990). Het hoofd van Haydn. Vries, Theun de. Amsterdam, 1988.

Pumbo-Blaauw-cover


Stempel