De groene Sittich (2016)

Van een schilderij van de Hollandse kunstschilder Marten Hemskerck ontbreekt het bovendeel met daarop de afbeelding van een papegaai in een korf. Het is eraf gezaagd, en tot vandaag een raadsel waarom dat nodig was.

Hoofdstuk 1; hoofdstuk 2. Zie verder: Publicaties.


Hoofdstuk 1. Radicale taal: 1583

 

Coornhert hield zijn ganzenveer tegen het licht dat door de hooggeplaatste vensters van zijn werkkamer binnenviel, keek naar de tip, controleerde met de top van zijn wijsvinger de scherpte ervan, knikte met het hoofd, doopte het schrijfgerei in de tinnen inktpot. Radicale taal, schamperde hij, dat zullen we nog eens zien! De zeergeleerde Coornhert legde het Bijbelboek dat naast hem lag voor zich, knipte de twee metalen sluitingen open en bladerde naar de bladzijden waartussen hij een ganzenveer als boeklegger had geplaatst.
Donders! Twee inktvlekken! Ik word oud. Jammer. Boos in zichzelf mompelend schoof hij de opengeslagen Bijbel van zich af, legde een blad papier op de vrijgekomen plek, doopte de schrijfveer opnieuw in de inktpot en spelde bovenaan in de marge van het blad papier: Het ghebruyck der Wet, ende hoe de gheloouighe daer van gheurijt zijn, den moeyelicken krijch des vleeschs teghen den Gheest.
Buiten, onder langs de hoge vensters van de kamer, passeerde volk. Coornhert luisterde. Voor hen schrijf ik het, peinsde hij. Er is dwaling genoeg: wie weet nog wat te geloven. Ik doe mijn best. De geleerde stond op, liep naar het venster waar achter een van de onderste ruitjes de zilveren knop van een omhooggestoken wandelstok verscheen, behoedzaam tweemaal op de ruit tikkend. Coornhert aarzelde. Alsof hij het door op te staan voorvoeld had. Bezoek: Hendrick Goltzius! Hij zal zichzelf binnenlaten.
Goltzius was lang geleden voor korte tijd zijn leerling geweest, etsen en graveren van prenten, nu een succesvol Constenaer, had de dag ervoor al aan de deur gestaan, was Coornhert misgelopen en Goltzius had de dienstbode laten weten de volgende middag terug te keren. Hij wilde zijn inmiddels goede vriend iets vragen en Coornhert vanzelfsprekend op de eerste plaats groet brengen.
En met de deur in huis: ‘Goedemiddag Dirck Volkertszoon. Hoe gaat het? Ik wil wat weten over Marten Hemskerck’s kunstwerk dat voor het gilde in de Sint-Bavokerk van Haarlem hing: Sint Lucas die de Madonna schildert. Je kent dat werk dat nu in het Prinsenhof  is. Hemskerck heeft bovenaan een Papegaey geschilderd, in een korf. Hoe is het met je?’
‘Goed, dank je. Ik ken al het werk van Hemskerck.’ Coornhert keek verbaasd en wilde van Goltzius weten waarom die ernaar vroeg. Hij herinnerde zich dat hij en Hemskerck en met hen anderen er ooit diepgaande en geestige gesprekken over voerden, in vroeger jaren. Martens schilderij was een academisch werkstuk, een leerstuk voor andere Constenaers, een proeve van zijn grote kundigheid en Hemskerck schilderde het kort voordat hij lang geleden naar Rome vertrok. Een eervol werk, omdat het in de kerk de kapel van het gilde van de patroonheilige Sint Lucas sierde. Coornhert vond het een ijdel werk.
Goltzius vertelde dat hij met twee bevriende Constenaers een academie was begonnen, een kleine kring, en daar op een van de ateliers van de leden het menselijk naakt oefende, ertoe gebracht door de grote Italiaanse voorbeelden.
‘Naar het leven?’ vroeg Coornhert streng.
Goltzius keek hem in de ogen, wilde weten wat de oude man ervan vond.
‘Tekenen jullie ook vrouwen?’
Goltzius zweeg. Hij zag het opengeslagen Bijbelboek op tafel liggen en oordeelde dat hij het onderwerp veel te onbesuisd ter sprake had gebracht. Maar Coornhert was breed van geest, bedacht Goltzius, zou alleen willen waarschuwen voor de gevaren van zijn nieuwe tekenpraktijk en die van zijn compagnons.
‘Hoe groot is die kleine kring?’
‘We zijn met drie,’ antwoordde Goltzius. ‘Boeken en voorbeelden leren ons niet genoeg.’
‘Hoed je voor de Kerkenraad, Hendrick! Verder wil ik er niets van zeggen. Wat is er met die Papegaey van Marten Hemskerck?’
‘Een van onze modellen houdt twee Papegaeys en die neemt ze mee naar het atelier, in een korf. Bij wijze van vertier.’
‘Bij wijze van vertier? Hoezo, vertier?’ informeerde Coornhert warrig.
Goltzius liep van hem weg, rukte kriebelende haren uit zijn neusgat en veegde ze af aan de mouw van zijn jas. Hij snoof twee keer en gaf toen antwoord: ‘Ze waakt erover met haar leven, laat de beestjes nooit alleen. En dat is hard nodig. Want zijn de Papegaeys zonder haar, dan vergaat horen en zien!’
Coornhert, met nog steeds een ganzenveer in de hand, nam die op ooghoogte en keek ernaar.
Ave zullen jouw vogels niet zeggen. Ik heb genoeg gezien en gehoord om dat te begrijpen, Hendrick. Franciscus van Retza draai zich om in zijn graf.’ Coornhert legde de veer op tafel, liep naar een onder een van de vensters geplaatste glanzende roodbruine houten dekenkist en haalde daaruit een boek tevoorschijn, gaf het aan Goltzius. ‘Bladzij negenentwintig!’
Goltzius nam het aan met de linkerhand: zijn gehavende handen, wist Coornhert, waren op jonge leeftijd verminkt door brand. Met de graveernaald kon hij allerbest overweg, maar bladeren in het boek zou lastig worden.
Goltzius bekeek het: een blokboek, een boek waarvan de bladspiegel, tekst en prent, was uitgesneden in een houtblok. ‘Defensorium inviolatae virginitatis Mariae.’
‘Franciscus van Retza,’ vulde Coornhert aan. ‘Het is een oud plaatjesboek, een houtsnede boek.’ Coornhert greep het met ongeduld uit de handen van Goltzius, bladerde zelf naar de bedoelde pagina en hield die voor. Op de bladzij was onder meer een afbeelding van een vogel te zien: een groene Papegaey met een lange staart en om de nek een rode band, staande op een bestrate vloer aan de binnenzijde van een vestingmuur met kantelen.
‘Geheid het Hemelse Jeruzalem,’ zei Goltzius, die hardop denkend nu Coornherts opmerking van zojuist begreep: Ave zullen jouw vogels niet zeggen. Voor de papegaaienbek uit krulde een tekstlint met daarop driemaal: Ave.
Coornhert wees op het bijschrift onder de afbeelding.
Goltzius trok Coornhert mee aan de mouw, dichter bij het licht, kneep zijn ogen toe, probeerde de tekst te snappen. ‘Potjeslatijn,’ mopperde hij. ‘Dat kan ik niet lezen.’
Coornhert grinnikte: ‘Klopt! In mijn woorden: als een Papegaey Ave kan zeggen, en dat doen ze, dan moet je er niet vreemd van staan te kijken dat een Zuivere Maagd, zoals de Heilige Maagd Maria dat was, een kind baart, alles geboodschapt door de Engel Gabriël. Daarom schilderde Marten Hemskerck er een Papegaey bij. De vogel is een symbool van de Heilige Maagd Maria. Dat is niet heel gebruikelijk en maar weinig toegepast.’
‘Dat was mij niet bekend. In de Bijbel lezen we dat niet,’ merkte Goltzius op, wijzend naar het opengeslagen dikke boek dat op de werktafel van zijn geleerde vriend lag.
‘Staat nergens,’ zei Coornhert. ‘Waar deze Retza het vandaan haalt weet ik niet. Ik vermoed een antieke bron. Ave Caesar, klinkt het daar. De Keizersgroet. Wat zeggen de Papegaeys van jouw model? Zijn ze zoals deze in het boek van Retza?’
Goltzius bestudeerde de prent. ‘Nee, niet in het minst. Trekt ook niet op die van Marten Hemskercks schilderij. Die heeft een kam op de kop en is veelkleurig.’
‘En wat zeggen die van jou?’ herhaalde Coornhert zijn vraag.
‘Dat wil je niet weten. Sla eerst dat Bijbelboek dicht, alsook dit Defensorium!’
Coornhert klapte Retza’s blokboek toe.
Goltzius liep naar de tafel en sloeg het Bijbelboek dicht, klikte ook het sluitwerk vast. Kwats. Alles is kwats. De wet is een lijk. Dat laatste fluisterde hij en omdat Coornhert het niet verstond een tweede keer net aan luid genoeg: De wet is een lijk!
De zeergeleerde reageerde niet, kneedde met de rechterhand geruime tijd de andere hand en staarde daarna lang en onbeweeglijk stilstaand voor zich uit, kwam door diep in te ademen weer bij zinnen.
Goltzius keek zwijgend toe, liep toen naar de werktafel en las het blad papier. ‘Wat schrijf je Dirck Volkertszoon? Heb je een nieuwe klus om handen?’
Coornhert knikte. ‘Toepasselijk kan ik wel zeggen! Ik schrijf een traktaat over de Bijbelbrief van de Apostel Paulus aan de burgers van Rome. In onze dagen gaat zijn brief voor sommigen door voor radicale taal. Voor anderen is het een vrijbrief om te doen wat men wil, om straffeloos te zondigen. Men redeneert dat Christus voor de zondaar de wet Gods heeft volbracht, zowel tot rechtvaardiging als tot heiliging en daarom hoeft de zondaar niet anders te doen dan te geloven, dat Christus zijn gerechtigheid en zijn heiligheid is. Een leven in bekering en heiligmaking is niet nodig. Men heeft met de wet niets meer uitstaande. Aan de hand van andere gedeeltes uit de Bijbel wil ik dat weerleggen, voor eens en voor altijd Paulus, die dat toekomt, zijn naam zuiveren. En ga ik daar nu mee verder! De wet is geen lijk!’
Goltzius gromde, dacht aan zijn tekenschool en het model met de razende Papegaeys, zag het verband tussen wat de vogels uitkraamden en de kwestie waar de geleerde zich juist over boog. Wees op je hoede voor de Kerkenraad, Hendrick, had Coornhert hem zojuist gezegd. Aan zijn gepeins kwam een einde toen zijn geleerde vriend de waarschuwing aan zijn adres woordelijk herhaalde: ‘Wees op je hoede voor de Kerkenraad, Hendrick!’
Goltzius zocht naar zijn wandelstok, maakte aanstalten om te vertrekken.
‘Wacht, Hendrick! Trammelant, de Constenaer! Is hij al dood? Jouw Papegaeys, dat waren zijn Papegaeys!’
‘Dirck Volkertszoon, toen ik deze vogels voor het eerst zag en hoorde tieren, kwam dat gevoelen ook bij mij op. Trammelant is verscheiden, niet meer onder ons. En nu laat ik je aan je werk.’
‘Goed. Ik heb veel te doen,’ zei Coornhert terug. ‘Wees op je hoede voor de Kerkenraad, Hendrick! Opdat zij je niet van heimelijke zonden betichten en je na een publiekelijke berisping dwingen buiten de gemeenschap te gaan, te excommuniceren en alles over te laten aan de genade Gods!’
In de deuropening draaide Goltzius zich om, hief zijn wandelstok en riep: ‘Wees gerust oude leermeester. Ik ga de Papegaeys met eigen hand de nek omdraaien!’
Dat zal niet makkelijk gaan, dacht de gastheer, hief zijn rechterhand ten groet omhoog, nam hem terug en toen Goltzius in de deuropening verdwenen was, bekeek hij zijn eigen hand en kromde en strekte die meerdere malen achtereen, drukte om beurten een paar maal de vingers tegen de duim. Gezeten aan zijn werktafel en vooraleerst weer aan het werk te gaan, bladerde hij in het Defensorium van Franciscus van Retza naar de afbeelding van de Papegaey en peinsde: Jullie bereiken een gezegende leeftijd, van alle vogels leven jullie het langst! Is dat als dank?


Nadencken opt sevende Capittel totten Romeynen.

DAt aen’t rechte verstant van desen Capittele hooch is gelegen: betoont het menichvuldich bewijs tot veele wichtighe saken, by meest alle Theologiens hier uyt voort ghehaelt. Want het sorchlijc is in wichtige saken te doolen, daer inne moeten sy alle doolen, die oordeelen uyt qualijck verstaen, tuychnissen tot bewijs t’onrecht inghevoert.
Of dit nu gevalt by velen in veele sproken van desen Capittele, salmen hier moghen mercken het meerdeel der Leeraren doch niet al verstaen d’Apostel Paulum hier ghesproken te hebben van zijne persoone self, soo hy was onder dat schrijven. Andere verstaen dat anders, wie recht heeft sal moghen ghemeret worden uyt die ses navolgende spreucken met de korte byghevoechde Redenen van twijfele.(…)


Hoofdstuk 2. Jonas Weisbrod: 1534 – 1535

 

De volières zijn bijna klaar. Het zijn drie prachtige en stevige kooien. De smid kan trots zijn. Ze zijn gemaakt van gelijkmatig verdeelde ijzeren spijlen, horizontaal en verticaal. De vier zijden zijn loodrecht aan elkaar vastgemaakt. Langwerpig, rechtopstaand doosvormig, met een vierkante bodem. De franje zit aan de top: teneinde de volières te kunnen hangen en dat was de opdracht, heeft de smid aan de bovenzijde twee elkaar diagonaal kruisende, ijzeren ojiefbogen bevestigd. Daardoor ontstaat een gewenst uitheems effect. De kooien meten hoog anderhalf, bij een halve meter in het vierkant. Het gotisch driesnuit traceerwerk voor tussen de spijlen ligt klaar, is nog niet aangebracht.
De opdracht komt van een rijke schipperskoopman uit Münster, eigenaar van een bijdetijds groothandelshuis. Voor deze groothandelsman varen drie schippers op de Ems: ijzer en ijzerproducten, aluin, salpeter, koper en kalk, leisteen en hout, textiel en kaas en vis. Jonas Weisbrod is zijn naam en hij kan de vogelkooien komen halen.
De volières zijn bedoeld voor Alexanderparkieten, een papegaaiensoort uit India, Psittacula eupatria: de groene Sittich. De vogels waren van Antoon Tucher uit Neurenberg, die ze hield in zijn aviarium. Zijn zoon Lienhart met wie Jonas Weisbrod handelsbetrekkingen onderhoudt verkoopt drie koppels aan de koopman. Ze zullen hangen aan het plafond van de galerij langs de grote binnenplaats van het huis.
De Weisbrods kregen al eerder van Tucher een groene Alexanderparkiet als geschenk. De kinderen en zijn vrouw zijn er gek mee en kijken uit naar de nieuwe, zeldzame en kostbare dieren. Aan Weisbrod is inmiddels gemeld dat zijn vogels al geruime tijd onderweg zijn. Men bericht dat zij in goede gezondheid verkeren. Zo vaak als mogelijk worden er, meest in kloosters waarlangs gereisd wordt, lange pauzes ingelast. Dit om de vogels maximaal rust te geven, geen nervositeit te bezorgen en ‘indien zo gewenst de zes groene Sittichen gepaste eer te bewijzen!’ Weisbrod las het in de brief die Tucher hem geschreven had, vond dat een eigenaardige opmerking, waar hij verder geen aandacht aan gaf.

Jonas Weisbrod kan nog lang wachten op zijn nieuwe vogels. Wat heet lang. Ze komen, maar er doet zich een ernstig oponthoud voor. De stad Münster is aan een beleg onderhevig. De bisschop heeft de stad omsingeld omdat de Wederdopers onder leiding van de wraakzuchtige bakker Ian Matthijs uit Haarlem de stad hebben uitgeroepen tot Jeruzalem: het nieuwe Jeruzalem. In zijn kielzog komen duizenden gelovigen naar Münster. Fanatici zijn het. Ze leven in gemeenschap van goederen en prediken polygamie. De stad is er mooi zoet mee.
Tucher stelt voor om de Sittichen terug te halen naar Neurenberg, maar daar is Weisbrod op tegen. De vogels halverwege de reis in een klooster geparkeerd, staan er veilig. Het mag wat kosten, allemaal.
Frans van Waldeck, de weggejaagde bisschop keert terug voor de wallen van de stad, met een leger van Roomse en Protestantse huurlingen. Hij belegert de stad en hongert deze uit. De familie Weisbrod is de stad ontvlucht, als goddelozen uit de stad verdreven door de volgelingen van de Haarlemse bakker. In de luwte van een klooster wachten ze de ontwikkelingen af.

Natuurlijk zegeviert de bisschop en Weisbrod keert terug naar de stad. Al snel is alles weer bij het oude, tenminste voor die kooplieden die het oude geloof trouw bleven. Weliswaar zijn veel van hun bezittingen vernield of verdwenen, maar het kapitaal van deze lieden is ruim voordat de pleuris uitbrak veiliggesteld. De familie is met gezwinde spoed teruggekeerd om zoveel als kan van huis en goed veilig te stellen. Ze zijn niet met veel, die terugkomen. De meeste leden van het koopmansgild van Münster omarmden het Doperdom.
De woning van de familie Weisbrod is tijdens de plunderingen gespaard gebleven. De inventaris van het huis is verdwenen, verdeeld onder aanhangers. Onder de heerschappij van het Doperdom leeft men immers in gemeenschap van goederen.
Van de autoriteiten krijgt de familie toestemming om het huis opnieuw te betrekken, als Weisbrod in de tijd die komt meewerkt aan de vereiste onderzoeken, die de magistraat nog zal instellen.

De drie schepen van de handelsfirma zijn ver van Münster buiten gevaar gebleven, wachten op instructies.


Stempel