Vuil vernis (2002)

Frits Vocht ontdekt op een schilderij van Emanuel de Witte, uit de 17e eeuw, piepkleine afbeeldingen van papegaaien. De restaurateurs zijn van mening dat het vernis vuil is. De schilder zelf schiet te hulp.

Hoofdstuk 1; hoofdstuk 2. Zie verder: Publicaties.


Hoofdstuk 1. Waarin conservator Frits Vocht zijn collega Ben Reijlaarsdam met lichtbeelden bijstaat.

 

Ben Reijlaarsdam verstapte zich, struikelde en kon alleen door van het podiumpje te springen zijn evenwicht bewaren. Hij schrok van zijn onverhoedse daad, hervond zich en zei met iele stem: ‘Landschap, zeventiende eeuw en erg vergeeld. Te weten, dat dit vuil vernis in sommige tijden mooi gevonden werd.’
Hij klom weer op het podiumpje van de lessenaar en blikte nerveus in het licht van de projectie. Vervolgens kneep hij zichzelf hardhandig in zijn nekvel en gooide zijn hoofd als in een spasme achterover. Toen vermande hij zich.
Het was een oude zenuwtrek, een tic die Reijlaarsdam al geruime tijd onder controle had en die zich nog slechts sporadisch opdrong.

De opmerking over het vuile vernis was als een grappige voetnoot bedoeld, maar niemand lachte; uit mededogen met de spreker, die volslagen tegen zijn voorlijke manier van doen rare bewegingen had gemaakt.
Alleen Frits Vocht lachte zacht en dacht: vuil vernis is mooi gevonden. Zijn gegiechel ging verloren in het geruis van de motor van de projector achter in de zaal, die hij op aangeven van Reijlaarsdam bediende.

De voordracht van Reijlaarsdam werd gehouden in de kleine gehoorzaal van het museum. Deze zaal bevond zich in een oude patriciërswoning naast het museum. Kort geleden had het bestuur de woning aangekocht en de grote achterkamer op de begane grond laten verbouwen tot auditorium met een kleine koffiebar, met achterin een vaste opstelling voor dia-projecties. De voorkamer werd gebruikt als bestuurskamer en de bovenverdiepingen werden als kantoren verhuurd.
Reijlaarsdam, de eerste conservator, was trots op de nieuwe zaal. Hij beschouwde het zaaltje als een bijzondere aanwinst voor het museum en hij wees iedereen terecht die de ruimte aanduidde als “de achterkamer”.
Sinds de openstelling hield hij op de tweede zondag van de maand een lezing voor donateurs en leden van de vriendenclub van het museum.
In het begin van de lezingencyclus was Reijlaarsdam zichtbaar nerveus geweest. Zo pontificaal voor het voetlicht treden vond hij moeilijk, maar meestal hing het beleefd klappende publiek aan zijn lippen. Dat sterkte hem en hij genoot van de bewonderende schouderklopjes na afloop aan de koffiebar. De meeste nervositeit was na de eerste lezingen langzaamaan weggeëbd.
De bewondering van het publiek voor de eerste conservator van het museum was misschien wat overtrokken en in zeker opzicht te begrijpen als een beloning voor het initiatief om de lezingen zelf te houden, maar Reijlaarsdam verkocht geen onzin.
Bijna altijd sprak hij over de alledaagse beslommeringen van het museum, over wat zich achter de schermen voltrok: de taken van de conservatoren, het aankoopbeleid, financiën, de relatie met de verschillende overheden en uitwisseling met andere musea.
Niet op deze zondag. Vandaag sprak de eerste conservator over manieren van kijken naar kunst.
‘Schilderijen vragen om een degelijke bestudering,’ sprak hij. ‘Men moet echter niet alleen kijken naar de kleur of de compositie, het licht en het perspectief, naar de illusie van beweging, naar vorm en restvorm, de tektoniek, de penseelvoering en het materiaalgebruik, vooral ook naar wat er op staat.’

En Frits Vocht?
Frits Vocht was Frits Vocht en nauwelijks berekend voor zijn taak; een fantast van de eerste orde waaraan Reijlaarsdam, volgens eigen zeggen, zijn handen vol had. Een deeltijdwerker voor halve dagen, voor ochtenden, en een die tot ver na sluitingstijd van het museum door bleef werken aan zogenaamde eigen projecten.
Reijlaarsdam stond het oogluikend toe.
Vocht was tweede conservator van het museum.

Frits Vocht zat achter in de zaal bij de diaprojector en hij luisterde mee met het publiek. Aanvankelijk gedachteloos, maar sinds de opmerking over het vuil vernis, met meer oplettendheid voor de woorden van zijn collega dan daarvoor. En bij Reijlaarsdams laatste woorden, over wat er op staat, nam hij diens spreekbeurt in stilte over en peinsde: vooral ook naar wat verborgen is tussen de verf, daar toont de schilder zijn ware aard. Je moet met het schilderij rammelen! Flink schudden. Dan valt wat verstopt is op de grond. En dan kun je het oprapen. Dan kun je het weten. In de hoeken en de gaten leeft de schilder zich uit. Daar, verborgen achter het vernis, wordt zichtbaar wat werkelijk belangrijk is. Daar maakt hij grapjes voor zijn vrienden, vriendinnen, of voor zijn kinderen. Toespelingen, spitsvondigheden en geheimen. Avonturen! Geschiedenissen! Vocht grinnikte en poetste zijn brillenglazen met zijn zakdoek nadat hij ze met zijn adem bewasemd had. Toen hield hij ze tegen het licht en sprak geluidloos: vuil vernis. En hij giechelde opnieuw.

‘Het is met schilderijen als met de namen van de mensen,’ zei Reijlaarsdam. ‘Zoals u naar namen van mensen luistert en denkt: wat een mooie naam is dat. En dat u dan naar de betekenis vraagt, naar de oorsprong van zo’n naam. U weet dat ik een grote fascinatie heb voor namen. Voor genealogie. Voor stambomen en voor afstamming van mensen en geslachten. Ik zal daar ook eens over spreken.’
Reijlaarsdam zweeg. Hij was de draad van zijn verhaal kwijt en keek hulpeloos rond terwijl hij met zijn linkerhand zijn nek van achteren omsloot, zonder te knijpen. Even bleef het stil, toen hernam hij zich en zei met veel te luide stem: ‘Collega Frits, start de projector!’
Vocht, zette de volgende dia voor.

Terwijl Reijlaarsdam de draad van zijn verhaal weer opnam haalde Vocht, niet langer geïnteresseerd in de voordracht van zijn collega, een notitieblok met een blauwe omslag uit zijn tas, schoof met zijn stoel zover naar voren tot er voldoende strooilicht van de projectie op het papier viel.

In het museum hangt een schilderij van Emanuel de Witte. Het is een afbeelding van de Oude Kerk te Amsterdam en geschilderd omstreeks het jaar 1661. Het is een protestants kerkinterieur zoals De Witte er zovele maakte, met olieverf op doek geschilderd; niet groot, ongeveer een meter in het vierkant, en breder dan hoog. Door de hoge ramen valt het zonlicht binnen en verlicht delen van de architectuur van de kerk. Hier en daar valt licht op de mensen die binnentreden en die in de richting lopen van de kansel waar een predikant staat achter een opengeslagen bijbel. En er zijn honden in de kerk.

Vocht keek op en dacht na. Hij tilde met een vinger zijn bril op zijn voorhoofd, wreef zichzelf in de ooghoeken, streepte bijbel door en schreef psalmboek.
Hij keek naar de mensen die in de zaal voor hem zaten; vierentwintig. Vocht kende er een aantal van gezicht en ook een aantal van naam. Zachtjes fluisterde hij die namen voor zich uit. Hij dacht aan Reijlaarsdams opmerking over de genealogie, maar werd daar in gestoord door de projector die plotseling een vreemd geluid maakte. Zeker de aandrijfriem van de ventilator, dacht Vocht. Hij stond op en greep met twee handen de achterzijde beet van het apparaat, tilde het op en liet het met een klap weer terugvallen op de projectietafel. De lichtstralen floepten naar de vloer en terug naar de plek waar Reijlaarsdam stond. Het geluid verdween.
De mensen in de zaal keken om, maar zagen niets anders dan het helle licht van de lamp.
Reijlaarsdam onderbrak zijn verhaal en vroeg: ‘Alles goed Frits? Waarom doe je dat? Kan ik weer?’
Vocht reageerde niet en mompelde: ‘Als je ermee rammelt, dan zie je meer.’ Hij grinnikte.
‘Laat de volgende dia eens zien,’ zei Reijlaarsdam en hij sprak rustig verder tot zijn gehoor. ‘Een studie zoals u ziet, Oost-Indische inkt op papier met hier en daar wat potlood.’
Vocht stelde de dia scherp en ging weer zitten.
Na enige tijd greep hij zijn notitieblok en schreef, rechts op het papier en onder elkaar: klits Cats klets, – tot onder aan het blok en daarnaast links, met grote letters: Jacob. En links van die naam tekende hij een papegaaiensnavel, waarbij hij handig gebruik maakte van de kromming van de eerste letter van het woord.
Hij begon zich te vervelen; hij kreeg geen greep op dat wat hem bezig hield. Het muntje valt niet, dacht Vocht. Hij moest aan een van de restaurateurs van het museum denken, aan Pardieck, die zou dat zo gezegd hebben: het muntje valt niet.
De diaprojector piepte weer.
Laat piepen, vond Vocht. Pardieck moet het repareren. Toen schoot hij overeind, bladerde snel een blad om van zijn notitieblok en schreef: Schilderboeck van Karel van Mander lezen, – met drie uitroeptekens! 1604, – met een streep eronder! Hij sloeg het blok dicht, leunde achterover op zijn stoel en staarde naar de pluisjes in de lichtbundel van de projectie.
‘Mag ik de volgende dia, graag?’ vroeg Reijlaarsdam schijnbaar zonder zenuwen.
Vocht gehoorzaamde.
‘Opnieuw een voorstudie, nu met pastelkrijt. Wij zijn altijd blij als er studies zijn; voorstudies.’ Het klonk toch weer nerveus.


Hoofdstuk 2. Waarin conservator Frits Vocht op onderzoek gaat.

 

Op maandagochtend was het museum dicht. Vocht liep door de lege zalen van het museum voor een korte inspectie. Als Reijlaarsdam er niet was, dan deed hij dat.
Vooral op maandag na het weekend was een inspectie gewenst. Rommel, scheef hangende schilderijen, een sjaal op de grond, soms een frisdrankblikje, vaak snoepwikkels, kapotte verlichting en vette vitrineruiten. Pas op maandagavond werd er schoongemaakt.
Vocht liep door de laatste zaal en nam notitie van een barst in een ruitje dat een klein ingelijst ivoren snijwerk beschermde. Zeker spanning op de lijst, dacht Vocht. Hij sloeg zijn notitieblok open en schreef onder de aantekening over Karel van Mander: Ruitje kapot ivoortje zaal achttien. Hij bleef in gedachten stilstaan, zette opnieuw een dikke streep onder Karel van Mander en liep een paar zalen terug. In de zaal hing het schilderij van Emanuel de Witte dat hij, terwijl Reijlaarsdam zijn lezing hield, beschreven had in zijn blauwe notitieblok.
Vocht liep erheen en bleef voor het schilderij stilstaan om te kijken. Hij noteerde het catalogusnummer. Papegaaienwerk, schreef hij erbij.
Eenmaal terug op de kamer die hij met Reijlaarsdam deelde, ging hij achter het bureau zitten van zijn collega. Zo zat hij zichzelf niet in het licht. Beide bureaus stonden tegenover elkaar en wel zo dat de bureaustoel van Vocht naar het raam gekeerd was. Hij sloeg zijn opschrijfblok open.

Aan de buitenzijde van de kerk mogen de kermisklanten en de venters, marskramers en Joden hun waren uitstallen. Het is voorbijtrekkend volk van divers pluimage. Als handelaars staan ze niet ingeschreven in de registers van de stad. De meesten zijn op doorreis, van stad naar dorp en van dorp naar stad. Een schamel leven. Een enkeling keert met de seizoenen terug. De stad staat dergelijke handel tijdelijk toe, mits men op de voorgeschreven plaats de kraam uitstalt: het Oudekerksplein en dan doorlopend naar de erachter gelegen Kerkstraat. Het is een buurt die de laatste jaren snel achteruit gegaan is. Vroeger woonden er notabelen en was het gilde van de Goudsmeden er gevestigd. Nu zijn er voor het merendeel hoerenkasten, in de schaduw van de kerk.

Hoerenkasten en kerk, en daartussenin staat …  Vocht dacht na: een mooie naam vind ik het! Het zijn allemaal mooie namen. Mooiere namen dan die van tegenwoordig. Dat maakt het levendig. Treffender!

Hoerenkasten en kerk, en daartussenin staat Jannes Kleinvee met zijn vogels. Elke dag, behalve in de wintertijd, stapelt hij zijn kooien op tussen de steunberen van de kerk. Het is een mooie plek, uit de wind en in de zon en niemand haalt het in zijn hoofd hem die plaats te bestrijden. De vogeltjes, meest vinken, zijn in trek bij de kinderen. Ze onderhandelen met Kleinvee over de prijs en na enig loven en bieden kopen zij een kleine vogel. Dan wordt er een touwtje om een poot gebonden, alles onder toeziend oog van de ouders of de meiden en de knechten en nemen ze het vogeltje mee. Jannes Kleinvee heeft ook drie vuurrode papegaaien in zijn kraam. Ze zijn niet voor de verkoop. Ze dienen als vermaak voor het publiek. Waar ze vandaan komen weet niemand omdat niemand weet waar Jannes Kleinvee vandaan komt. Niemand weet ook wat hij in de winter uitvoert. Het zijn aras.

Er werd geklopt.
Vocht stond op en liep naar de deur.
Er werd opnieuw geklopt en de deur werd van buitenaf geopend.
‘Pardon!’ zei Govert Van Riel. ‘Ik dacht dat er niemand was.’ Van Riel was een van de oudere suppoosten van het museum.
‘Het geeft niet meneer Van Riel,’ zei Vocht.
‘Is Reijlaarsdam er niet?’ vroeg Van Riel.
‘Nee,’ antwoordde Vocht. ‘Hij is thuis. Hij heeft last van zijn nek.’
‘Zondagochtendlezing?’ vroeg Van Riel veelbetekenend en drukte met zijn hand achter in zijn nek.
Vocht reageerde niet.
‘Ik zag dat er een ruitje gebarsten was,’ ging hij verder, ‘en dat wou ik even melden.’
Vocht glimlachte. ‘Heel opmerkzaam van u, maar ik heb dat ook al gezien. U doet mij een groot genoegen als u het deze ochtend even langs brengt bij Pardieck.’
‘Niet bij Segaar?’ vroeg Van Riel.
‘Mag ook,’ zei Vocht. ‘En dat schilderij van De Witte wil ik er ook heen brengen.’
‘De Witte, zei u? Ken ik dat schilderij?’ vroeg Van Riel.
‘Het kerkinterieur,’ antwoordde Vocht.
Van Riel dacht na en knikte even en vervolgde: ‘Zeker! Zeker! En vindt Reijlaarsdam dat goed? Reijlaarsdam zal eerst toestemming moeten geven. Ik zie al wel dat u aan zijn bureau zit,’ grapte Van Riel.
‘Leuk!’ zei Vocht. Hij meende het. ‘Kom, dan doen we het nu samen even. Het is geen groot schilderij.’
‘Hebt u die lijst wel eens goed bekeken?’ vroeg Van Riel.
Dan lopen we eerst langs Pardieck en dan vragen we of die ook helpt,’ zei Vocht.
‘En Segaar!’ zei Van Riel.

Segaar was er niet. Pardieck was er wel.
‘Moet Reijlaarsdam niet eerst toestemming geven?’ vroeg Pardieck.
‘Nee, vandaag is Vocht de baas,’ zei Van Riel.

Terug op de zaal tilden ze gedrieën het schilderij van de muur. Pardieck gooide er een deken overheen.
‘De lijst is inderdaad zwaar, Van Riel,’ zei Vocht.
‘Het lukt wel, meneer Vocht,’ hijgde Van Riel. En voor mij is het ook wat waard, als de schilderijen mooi schoon aan de muur hangen.’
Pardieck lachte. ‘Goed gedaan, makker,’ zei hij tegen de suppoost en vervolgens sprak hij verder tegen Vocht: ‘Zeg wel aan Reijlaarsdam dat wij het schilderij schoonmaken. Er is geen budget meer om het uit te besteden aan het atelier van Tilanus. Het is alleen vuil vernis en de adem van Van Riel,’ voegde hij er gekscherend aan toe.
Van Riel lachte besmuikt. ‘Ik zeg altijd tegen de mensen dat ze goed afstand moeten houden.’
‘Kom! Tillen!’ Pardieck zakte door de knieën en tilde het schilderij een stuk omhoog. Van Riel greep de andere hoek. Vocht hield het schilderij in het midden in evenwicht. Voorzichtig liepen ze de zaal uit, de andere zalen door totdat ze in een portaal kwamen met een wenteltrap en een grote goederenlift. De deuren van de lift stonden open.
‘Altijd met de lift,’ zei Van Riel. ‘Nooit met kunst over de trap. Dat geeft ongelukken.’
Pardieck lachte. ‘Ook beter voor de mensen.’
Ze stapten voorzichtig in de lift. De lift en de wenteltrap voerden naar het schemerachtige depot van het museum, waar ze doorheen moesten om bij de restauratiewerkplaats te komen.
Bij de werkplaats hield Segaar die net weg wilde lopen de deur open. ‘Weet Reijlaarsdam dat?’ vroeg hij.
Vocht zuchtte en gaf geen antwoord.
Ook de anderen zwegen.
Voorzichtig tilden ze het schilderij door de deur langs Segaar, die ternauwernood opzij stapte.
‘Als Reijlaarsdam niets heeft gezegd, blijf ik er van af!’ probeerde hij opnieuw.
Terwijl ze het schilderij voorzichtig op de grond tegen een tafel plaatsten zei Pardieck: ‘Het is oké, Joppe. Van Reijlaarsdam mag het.’
‘Er is een ruitje kapot van een van de kleine ivoortjes,’ zei Van Riel tegen Segaar. ‘Als je meeloopt dan wijs ik het aan.’
‘Ik ben op mijn kamer,’ zei Vocht, die met zijn gedachten alweer bij Jannes Kleinvee en zijn papegaaien was.


Publicaties-Vuil-vernis-cover


Stempel